ECLI:NL:CRVB:2009:BH8671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting en autobezit
Appellante ontving sinds 21 oktober 1997 een bijstandsuitkering volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek in het kader van het project “Klant in Beeld” bleek dat vier auto's op haar naam stonden, waarvan zij geen melding had gemaakt aan het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het College besloot daarom op 16 augustus 2005 de bijstand vanaf 21 oktober 1997 in te trekken wegens het bezit van vermogen boven de toegestane vermogensgrens.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging. De Raad oordeelde dat het feit dat de kentekens van de vier auto's op naam van appellante stonden, de veronderstelling rechtvaardigt dat deze auto's tot haar vermogen behoren, tenzij zij voldoende tegenbewijs levert. Appellante leverde echter geen toereikend bewijs dat zij niet over de auto's beschikte.
De Raad stelde vast dat de gezamenlijke waarde van de auto's circa €56.500 bedroeg, wat het vermogen van appellante boven de toegestane grens bracht. De schending van de inlichtingenverplichting maakte de intrekking van de bijstand gerechtvaardigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet melden van vier auto's die tot het vermogen van appellante behoren, wordt bevestigd.