ECLI:NL:CRVB:2009:BH9169
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over toepassing artikel 18 lid 2 WAO bij arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen een besluit van het UWV waarbij een volledige WAO-uitkering aan een werkneemster werd toegekend vanaf 25 juni 2004. De werkneemster was sinds 10 september 2002 in dienst en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Een verzekeringsarts stelde vast dat zij nek- en rugsparend werk nodig had en dat er beperkingen waren in persoonlijk en sociaal functioneren, met een urenbeperking.
Het UWV baseerde het besluit op een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bij aanvang van de verzekering en bij het einde van de wachttijd, maar de Raad oordeelt dat dit niet volstaat. Er had een gedetailleerd onderzoek moeten plaatsvinden naar de functies die de werkneemster op beide momenten kon vervullen en de daarbij behorende verdiensten om de mate van arbeidsongeschiktheid en eventuele toename te bepalen.
Verder ontbrak een standpunt van het UWV over de vraag of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet eerder lag dan de aanvang van de verzekering, wat relevant was gezien eerdere klachten en werkzaamheden van de werkneemster. De Raad stelt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd, in strijd met de Awb.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalt vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt verplicht een nieuw besluit te nemen met een zorgvuldiger beoordeling.