ECLI:NL:CRVB:2007:BA8937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WAO-uitkering wegens vermeende volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om hem geen uitkering toe te kennen op grond van de WAO, omdat hij volgens het UWV bij aanvang van de verzekering op 1 juni 1999 reeds volledig arbeidsongeschikt was voor arbeid in het vrije bedrijf. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat appellant toen al fors beperkt was en geen sprake was van toegenomen beperkingen.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV onvoldoende heeft onderbouwd dat appellant bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was. De medische en arbeidskundige gegevens, waaronder rapportages van een verzekeringsarts, arbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts, tonen aan dat appellant weliswaar psychische beperkingen had en in een beschermde omgeving werkte, maar niet volledig arbeidsongeschikt was. Ook ontbrak een volledig FIS-onderzoek dat de mate van arbeidsongeschiktheid bij aanvang en einde wachttijd zou moeten vaststellen.
De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het UWV. Het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant en dient het griffierecht te worden vergoed. De zaak benadrukt het belang van een gedegen medische en arbeidskundige onderbouwing bij het vaststellen van arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de WAO-verzekering.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd en het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.