ECLI:NL:CRVB:2009:BH9357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering WW-uitkering wegens onvoldoende verwijtbaarheid appellant
Appellant, sinds 1978 werkzaam als verpleegkundige, werd per 1 januari 2006 ontslagen nadat de werkgever een verzoek tot opzegging had ingediend bij de CWI. Het UWV weigerde de WW-uitkering blijvend volledig omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door zijn functioneren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat appellant onvoldoende verwijtbaar gedrag heeft vertoond. Uit diverse rapportages, waaronder een persoonlijkheidsscreening en verklaringen van een haptotherapeut, blijkt dat appellant een gebrekkig zelfinzicht heeft en daardoor minder goed in staat is zijn gedrag te verbeteren. Het coachingstraject en verbetertrajecten van de werkgever leverden onvoldoende resultaat op, maar dit wordt toegerekend aan onvermogen in plaats van onwil.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en bepaalt dat het UWV opnieuw op het bezwaar moet beslissen, waarbij een gedeeltelijke weigering van de uitkering voor 26 weken wel gerechtvaardigd kan zijn. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.