ECLI:NL:CRVB:2009:BH9365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar en ongegrondverklaring beroep inzake partnertoeslag
Appellanten maakten bezwaar tegen besluiten van de IB-Groep waarbij hun partnertoeslag op grond van de Wet studiefinanciering 2000 werd herzien, wat leidde tot een kortlopende schuld. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het volgens haar slechts gericht was op het verkrijgen van een proceskostenvergoeding, wat volgens vaste jurisprudentie onvoldoende belang oplevert.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep dat appellanten wel degelijk belang hadden bij vernietiging van het bestreden besluit, omdat daarin de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase was geweigerd. De Raad vernietigde daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank en kwam toe aan inhoudelijke beoordeling.
De Raad oordeelde dat het bericht van 9 november 2007, waarin een saldo aan kortlopende schuld werd vermeld, niet gericht was op rechtsgevolg en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard door de IB-Groep. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De Raad veroordeelde de IB-Groep tot vergoeding van de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank wordt vernietigd.