ECLI:NL:CRVB:2009:BH9419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugwerkende kracht Wajong-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan met terugwerkende kracht vanaf 11 april 2005, terwijl de aanvraag pas op 11 april 2006 werd ingediend. Het UWV kende de uitkering toe met terugwerkende kracht van maximaal één jaar, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die een langere terugwerkende kracht rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat onbekendheid met de mogelijkheid tot aanvraag geen bijzonder geval vormt. Ook de beperkte verstandelijke vermogens van appellant werden niet als voldoende grond gezien om het late tijdstip van aanvraag te rechtvaardigen, mede op basis van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, onder meer met het argument dat hij door een leerplichtambtenaar naar Stichting MEE was doorverwezen en dat hij onvoldoende in staat was hulp te zoeken. De Raad overwoog echter dat appellant pas na het verlaten van school bij Stichting MEE is aangemeld en dat hij op het moment van de opleiding niet meer leerplichtig was.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt. Onbekendheid met de aanvraagmogelijkheid en het verzuim van instanties om te wijzen op die mogelijkheid kunnen dit niet veranderen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de Wajong-uitkering wordt toegekend met terugwerkende kracht van maximaal één jaar.