ECLI:NL:CRVB:2009:BH9984

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-158 WSF + 08-159 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid beroep tegen vaststelling ouderlijke bijdrage door IB-Groep

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen een besluit van de IB-Groep waarbij de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor het jaar 2007 op nihil is gesteld. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellanten geen belang meer hadden bij verdere beoordeling, aangezien een verdere verlaging niet mogelijk was.

In hoger beroep voerden appellanten aan dat er wel degelijk procesbelang bestond vanwege een nog niet besliste bezwaarprocedure tegen een ander besluit van de IB-Groep inzake een verrekening van een studieschuld. Tevens stelden zij dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand had toegewezen.

De Raad overwoog dat het besluit over de studieschuld geen rol speelt in deze procedure en dat vergoeding van kosten niet mogelijk is omdat daarvoor niet tijdig een verzoek is ingediend. De Raad bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/158 WSF en 08/159 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] en [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 november 2007, 07/142 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 27 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2009. Appellanten waren vertegenwoordigd door mr. Van Dijk en de IB-Groep door mr. G.J.M. Naber.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten gericht tegen het besluit van 3 februari 2007, waarbij de IB-Groep – beslissend op bezwaar – de veronderstelde ouderlijke bijdrage van appellante [appellante] voor het jaar 2007 ten behoeve van appellant [appellant] op nihil heeft gesteld, niet ontvankelijk verklaard.
1.2. De aangevallen uitspraak rust – kort samengevat – op de overweging dat appellanten geen belang bij beoordeling van hun beroep hebben, omdat de veronderstelde ouderlijke bijdrage reeds op nihil is gesteld en een verdere verlaging mitsdien niet tot de mogelijkheden behoort.
2.1. In hoger beroep hebben appellanten zich op het standpunt gesteld dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Naar hun mening bestaat er procesbelang omdat nog niet is beslist op het bezwaar gericht tegen het besluit van 6 oktober 2006, Bericht Studiefinanciering 2006, nr. 3 inzake een verrekening van studieschuld. Voorts achten zij het onjuist dat in de aangevallen uitspraak is nagelaten de IB-Groep te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar.
2.2. De IB-Groep heeft in verweer gesteld dat het besluit van 6 oktober 2006 – een besluit tot verrekening van een zogenoemde kortlopende schuld van appellant [appellant] – op geen enkele wijze een rol speelt in deze procedure. In deze procedure is slechts een besluit in geding tot vaststelling van de ouderlijke bijdrage.
2.3. De IB-Groep heeft voorts – onder verwijzing naar artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – aangevoerd dat een veroordeling in de kosten als waarom door de gemachtigde van appellanten is gevraagd niet tot de mogelijkheden behoort, reeds omdat niet voor het besluit op bezwaar om vergoeding van deze kosten is gevraagd.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Met de rechtbank en op dezelfde gronden is de Raad van oordeel dat appellanten geen belang hebben bij de beoordeling van hun beroep. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellanten met hun beroep niet meer kunnen bereiken dan zij reeds in bezwaar hebben bereikt. Terecht heeft de rechtbank appellanten dan ook
niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep.
3.3. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd ter zake van het besluit van 6 oktober 2006, nr. 3 speelt in deze procedure – naar de IB-Groep terecht heeft aangegeven – geen rol.
Omtrent hetgeen appellanten hebben aangevoerd ter zake van het besluit van 6 oktober 2006 heeft de Raad overigens geoordeeld in zijn uitspraak van heden, nummer 08/155 WSF.
3.4. Terecht heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te bepalen dat de kosten van behandeling van bezwaar dienen te worden vergoed. Dit omdat niet voordat op bezwaar is beslist, is verzocht om vergoeding van die kosten. Artikel 7:15, derde lid, van de Awb maakt in zo’n geval vergoeding van die kosten niet mogelijk.
3.5. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
De uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.C.A. Wit.
TM