ECLI:NL:CRVB:2009:BI0355

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/6916 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58, eerste lid, aanhef en onder f ten tweede, WWBArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijzondere bijstandskosten door gemeente

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen waarin het beroep tegen een besluit van het College tot terugvordering van bijzondere bijstandskosten ongegrond werd verklaard.

Het College had op 19 juli 2005 het besluit tot terugvordering van kosten van bijzondere bijstand voor appellant en zijn echtgenote gehandhaafd tot een bedrag van €893,07, op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f ten tweede, van de Wet werk en bijstand (WWB).

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College bevoegd was tot terugvordering en heeft gehandeld in overeenstemming met een beleidsregel die door de Raad niet onredelijk wordt geacht. De Raad ziet geen reden om af te wijken van deze beleidsregel op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Verder stelt de Raad vast dat appellant niet in zijn procesmogelijkheden is geschaad, mede omdat de relevante wetsartikelen en beleidsregels reeds in het verweerschrift waren opgenomen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot terugvordering van bijzondere bijstandskosten en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

07/6916 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Spanje) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 oktober 2007, 05/1266 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlagtwedde (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 februari 2009, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de rubriek 3 van de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 19 juli 2005 heeft het College zijn besluit van 18 november 2004 tot terugvordering van voor appellant en zijn echtgenote gemaakte kosten van bijzondere bijstand tot een bedrag van € 893,07 gehandhaafd met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f ten tweede, van de Wet werk en bijstand (WWB).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 19 juli 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College tot terugvordering bevoegd was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f ten tweede, van de WWB. Hij stelt voorts vast dat het College in het geval van appellant heeft gehandeld in overeenstemming met zijn, door de Raad niet onredelijk geachte, beleidsregel ter zake van terugvordering van kosten van bijstand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregel had moeten afwijken.
4.2. De omstandigheid dat in de aangevallen uitspraak niet de volledige tekst is genoemd van de bepaling op grond waarvan het College zich tot terugvordering bevoegd heeft geacht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel, omdat de rechtbank daartoe niet gehouden was. Voorts kan niet worden gezegd dat appellant in zijn processuele mogelijkheden is geschaad. De Raad wijst er in dit verband op dat de tekst van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f ten tweede, van de WWB en van de beleidsregels waarin de gevallen zijn beschreven waarin het College van terugvordering afziet, reeds in het verweerschrift tegen het bezwaarschrift is opgenomen.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar 31 maart 2009.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
OA