ECLI:NL:CRVB:2009:BI0986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant verzocht om een WAO-uitkering, welke door het UWV werd geweigerd omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig protocol inzake aspecifieke lage rugpijn niet van toepassing was omdat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van het protocol was ingediend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische beperkingen waren onderschat en dat het protocol wel toegepast had moeten worden. De Raad onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en verwierp deze beroepsgronden. Het UWV leverde in hoger beroep een nadere arbeidskundige onderbouwing, waarbij enkele functies vervielen maar er nog voldoende functies overbleven die appellant kon vervullen.
De Raad oordeelde dat de motivering van het bestreden besluit pas in hoger beroep voldoende was gegeven en vernietigde daarom het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand omdat appellant met de resterende functies het loon van zijn vorige functie kan evenaren. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.