ECLI:NL:CRVB:2009:BI1485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen
Appellante ontving sinds 2003 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in november 2005 werd vastgesteld dat zij niet langer arbeidsongeschikt was en in staat werd geacht passend werk te verrichten. Haar WAO-uitkering werd ingetrokken per 30 januari 2006.
Appellante vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, welke werd toegekend met een maatregel van 20% verlaging gedurende 16 weken vanwege onvoldoende sollicitatie-inspanningen voorafgaand aan de werkloosheid. Het UWV verklaarde het bezwaar tegen deze maatregel ongegrond en de rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet wist dat zij vóór de ingangsdatum van de maatregel moest solliciteren. De Raad oordeelde echter dat appellante op zijn minst op de datum van de aanvraag op de hoogte was van haar sollicitatieplicht en dat er geen omstandigheden waren die het niet nakomen van deze plicht in overwegende mate konden rechtvaardigen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de verlaging van de WW-uitkering bevestigd. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken wordt bevestigd wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen.