ECLI:NL:CRVB:2009:BI1489
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onterecht betaalde WW-uitkering naast WAO-uitkering
Appellante ontving aanvankelijk een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling door het UWV werd dit percentage per 29 november 2005 verlaagd naar 25 tot 35%, waarna appellante een WW-uitkering kreeg toegekend. Later herzag het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage terug naar 80 tot 100%, waardoor de WW-uitkering onterecht was toegekend en moest worden teruggevorderd.
Appellante stelde dat zij op basis van een telefonische mededeling van een medewerker van het Klanten Contact Centrum (KCC) mocht vertrouwen dat zij zowel de WAO- als de WW-uitkering mocht behouden. De Raad oordeelde echter dat deze mededeling slechts betrekking had op de nabetaling van de WAO-uitkering en geen rechtens te honoreren vertrouwen wekte voor het behoud van beide uitkeringen.
De Raad concludeerde dat het teruggevorderde bedrag niet onjuist was, ondanks het verschil tussen bruto en netto bedragen. De rechtbank had eerder geoordeeld dat het UWV het bedrag terecht terugvordert en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om daarvan af te zien. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de ten onrechte betaalde WW-uitkering en wijst het hoger beroep van appellante af.