ECLI:NL:CRVB:2009:BI1490
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling bij instemming ontslag
Appellante was sinds 2003 werkzaam als beheerder en meldde zich ziek in oktober 2006. De werkgever sprak het dienstverband per maart 2007 op wegens een dringende reden, namelijk het vermoeden van betrokkenheid van appellante bij diefstal door haar relatie. Appellante protesteerde tegen het ontslag en schakelde een advocaat in. Uiteindelijk sloten partijen in mei 2007 een vaststellingsovereenkomst waarbij het dienstverband per 1 juni 2007 werd beëindigd.
Appellante vroeg een Ziektewetuitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat zij door instemming met de beëindiging een benadelingshandeling had gepleegd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij verwijtbaar had gehandeld door het ontslag niet aan te vechten en de vaststellingsovereenkomst te tekenen, ondanks juridische bijstand.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad stelde vast dat appellante zonder deugdelijke grond had ingestemd met beëindiging van de arbeidsovereenkomst, terwijl het verzet tegen het ontslag op staande voet niet kansloos was. Ook het argument dat zij minder verwijt treft vanwege een misverstand over een WIA-keuring faalde, mede omdat zij op de hoogte had kunnen zijn dat de loondoorbetalingsplicht nog niet was geëindigd.
De Raad concludeerde dat het UWV de weigering van de Ziektewetuitkering terecht had gebaseerd op de benadelingshandeling en dat de vaststellingsovereenkomst de beëindiging van het dienstverband en het verlies van loonrecht duidelijk maakte. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens verwijtbare benadelingshandeling door instemming met ontslag.