ECLI:NL:CRVB:2009:BI1939

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5794 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 7:12 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling afstemming bijstand wegens niet meewerken en onleesbare bankafschriften

In deze zaak heeft het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit tot afstemming van bijstand wegens niet meewerken aan een huisbezoek en het gedeeltelijk onleesbaar maken van bankafschriften vernietigde. De rechtbank had het besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, ondanks dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het laten vallen van de afstemmingsgrond dat betrokkene haar vakantie niet vooraf had gemeld, niet betekent dat het gehele besluit vernietigd moet worden wegens gebrek aan motivering. De afstemming bleef immers gebaseerd op twee andere gronden: het niet meewerken aan het huisbezoek en het gedeeltelijk onleesbaar maken van bankafschriften.

De Raad stelt dat de rechtbank het beroep ongegrond had moeten verklaren en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze is aangevochten. Tevens oordeelt de Raad dat appellant terecht is opgekomen tegen de proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding in eerste aanleg en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 21 april 2009 en betreft een bestuursrechtelijke zaak over de Wet werk en bijstand (WWB).

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover aangevochten.

Uitspraak

07/5794 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2007, 06/1936 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 21 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is - met bericht van verhindering - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 14 maart 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 28 december 2005 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 maart 2006 wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven en een veroordeling uitgesproken tot vergoeding van proceskosten en van griffierecht.
3. Van partijen is alleen appellant in hoger beroep gekomen en wel uitsluitend voor zover de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd en voor zover appellant tot vergoeding van proceskosten en griffierecht is veroordeeld. Daartoe is in het beroepschrift onder meer het volgende aangevoerd.
“ In geding was een besluit in primo tot afstemming van de bijstand. De reden voor afstemming was dat betrokkene de gevraagde bankafschriften niet tijdig en bovendien onvolledig had geleverd terwijl tevens zij had verzuimd vakantie in Nederland door te geven. In de beslissing op bezwaar is het aspect van het niet doorgeven van vakantie niet langer als grondslag van het besluit genoemd. Desgevraagd heeft onze gemachtigde ter zitting aangegeven dat de conclusie juist is, dat het niet doorgeven van vakantie in Nederland in bezwaar in het kader van de afstemming niet langer aan mevrouw [V..] werd tegengeworpen, omdat alleen vanwege de schending van de verplichting tot medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB besloten kon worden tot afstemming van de bijstand (…).
In de beroepsprocedure hebben wij aangegeven dat in de beslissing op het bezwaar op grond van het bepaalde in artikel 7:11 van Pro de Awb een volledige heroverweging plaatsvindt van het bestreden besluit in primo. Op grond daarvan is de beslissing op bezwaar juist het aangewezen middel om een eventueel gebrek in de motivering van het besluit in primo te repareren. Nu de schending van de inlichtingenverplichting niet relevant is voor de afstemming kon deze buiten beschouwing blijven.”
4.1 De Raad kan zich geheel met dit betoog verenigen.
4.2. De Raad merkt dienaangaande nog op dat hij met appellant van oordeel is dat de rechtbank aan de enkele - op zich juiste - constatering dat appellant de afstemmingsgrond in het primaire besluit, inhoudende dat betrokkene haar vakantie niet van te voren heeft gemeld, heeft verlaten niet de gevolgtrekking had mogen verbinden dat het bestreden besluit vernietigd moest worden wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering. Immers de afstemming bleef gebaseerd op de twee overgebleven gronden, te weten het niet meewerken aan het huisbezoek en het gedeeltelijk onleesbaar maken van de bankafschriften. Met inachtneming van hetgeen de rechtbank overigens heeft overwogen had de rechtbank het beroep ongegrond moeten verklaren.
4.3. In het voorgaande ligt tevens besloten dat appellant terecht is opgekomen tegen de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling en tegen de veroordeling tot vergoeding van griffierecht in eerste aanleg.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april 2009.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
NW