ECLI:NL:CRVB:2009:BI2028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante, werkzaam bij een stichting op basis van een nulurencontract dat later werd omgezet in een contract voor onbepaalde tijd, brak haar enkel en meldde zich ziek vanaf 12 juni 2006. Het UWV weigerde haar ziekengeld toe te kennen omdat de werkgever volgens hen verplicht was loon door te betalen tijdens ziekte. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen door het UWV en bevestigd door de rechtbank Arnhem.
In hoger beroep stelde appellante dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was en dat mogelijk sprake was van nawerking van een eerdere verzekering. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd was, omdat het standpunt van het UWV dat de werkgever loon moest doorbetalen niet duidelijk was onderbouwd in het besluit zelf.
De Raad bevestigde echter dat de werkgever op grond van artikel 7:629 BW Pro verplicht is loon door te betalen tijdens ziekte en dat daardoor geen recht op ziekengeld bestaat. De weigering van loondoorbetaling door de werkgever na 12 juni 2006 is een civiele kwestie die buiten het bestuursrechtelijke geschil valt. De Raad vernietigde het besluit en de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van ziekengeld wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.