ECLI:NL:CRVB:2009:BI2258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat niet opnemen vroegpensioen geen benadelingshandeling WW-fondsen oplevert
Appellant, geboren in 1945, ontving sinds 1 april 2004 een WW-uitkering. Hij had de mogelijkheid om vroegpensioen op te nemen vanaf zijn 61e, maar koos ervoor dit niet te doen. Het UWV stelde dat appellant door deze keuze de WW-fondsen benadeelde en legde een korting op de WW-uitkering op.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef het standpunt van het UWV dat appellant verplicht was om zijn WW-uitkering zo beperkt mogelijk te houden door vroegpensioen op te nemen. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het vroegpensioen op grond van het pensioenreglement en de Regeling Gelijkstelling moet worden aangemerkt als een ouderdomspensioen in de zin van de WW. Echter, het niet opnemen van het vroegpensioen is geen benadelingshandeling jegens het Algemeen Werkloosheidsfonds, mede omdat het UWV zelf keuzevrijheid laat in de ingangsdatum van het vroegpensioen en het risico aanvaardt dat er geen korting kan plaatsvinden.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde het UWV in de proceskosten. Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: Het niet opnemen van vroegpensioen vormt geen benadelingshandeling en het opgelegde besluit van het UWV wordt vernietigd.