ECLI:NL:CRVB:2009:BI2614

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5059 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWWet werk en bijstand
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige intrekking bijstandsuitkering

Appellante ontving een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Leeuwarden trok deze uitkering per 22 november 2004 in, omdat appellante niet meer in Leeuwarden woonde. Na bezwaar werd het besluit aangepast, maar de bijstand alsnog beëindigd per 24 november 2004. Appellante vorderde vervolgens vergoeding van materiële schade van €1.641,- en immateriële schade wegens de gevolgen van de intrekking.

Het College wees het verzoek om schadevergoeding af en de rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij kosten had moeten maken door de gedwongen verhuizing en emotionele schade had geleden. De Raad oordeelde dat het causale verband tussen de schade en het onrechtmatige besluit niet was aangetoond en dat er geen bewijs was van geestelijk letsel dat een aantasting van haar persoon vormde.

De Raad volgde de overwegingen van de rechtbank en zag geen aanleiding tot vergoeding van materiële of immateriële schade. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.

Uitspraak

07/5059 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 augustus 2007, 06/2555 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: het College)
Datum uitspraak: 14 april 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009, waar appellante, met voorafgaand bericht, niet is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Inia, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 23 november 2004 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 22 november 2004 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat zij vanaf die datum niet meer woonachtig was in Leeuwarden. Bij besluit van 15 september 2005, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 november 2004 gegrond verklaard, dat besluit ingetrokken en de bijstand met ingang van 24 november 2004 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij brief van 27 oktober 2005 heeft appellante het College om schadevergoeding gevraagd voor een bedrag van in totaal € 1.641,-- in verband met de door haar geleden materiële schade als gevolg van de intrekking van de bijstand per 22 november 2004 alsmede om een vergoeding voor geleden immateriële schade. Bij besluit van 28 februari 2006 heeft het College het verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade afgewezen.
1.2. Bij besluit van 29 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 29 september 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante in beginsel aanspraak kan maken op schadevergoeding.
4.2. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij als gevolg van het onrechtmatige besluit kosten heeft moeten maken in verband met de als gevolg van dat besluit gedwongen verhuizing van Leeuwarden naar de woning van haar ouders in [woonplaats]. Verder heeft zij ook emotionele schade geleden. Het College heeft het verzoek om vergoeding van de materiële schade afgewezen, omdat appellante haar verzoek niet met gegevens heeft onderbouwd en omdat er geen causaal verband bestaat tussen de schade en het onrechtmatige besluit. De afwijzing van het verzoek om immateriële schade is gebaseerd op de grond dat van geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) niet is gebleken.
4.3. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat, daargelaten of het verzoek van appellante niet beperkt zou moeten blijven tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, welke bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest, het causale verband tussen de door appellante gestelde schade en het onrechtmatige besluit niet is aangetoond. De Raad verwijst in dit verband naar de overwegingen van de rechtbank ter zake en maakt deze tot de zijne.
4.4. Verder ziet de Raad geen aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade, nu niet is gebleken dat in het geval van appellante sprake is geweest van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 april 2009.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) J. Waasdorp.
RB