ECLI:NL:CRVB:2013:BY9144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging bijstand in de vorm van een geldlening wegens waardestijging woning
Appellant ontving bijstand en was eigenaar van een woning waarvan de waarde tijdens de bijstandsperiode aanzienlijk steeg. Het college wijzigde de bijstand in de vorm van een geldlening, omdat het gebonden vermogen in de woning boven het wettelijk vrijlatingsbedrag lag. Appellant betoogde dat deze wijziging in strijd was met het vertrouwensbeginsel en dat de bijstand om niet had moeten blijven.
De rechtbank vernietigde een eerder besluit en bepaalde dat het college opnieuw moest beslissen, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding moest worden betrokken. Het college besloot de bijstand vanaf 1 juli 2005 als geldlening te verstrekken en wees het verzoek om schadevergoeding af wegens het ontbreken van een causaal verband en omdat materiële schade beperkt bleef tot wettelijke rente.
De Raad oordeelt dat artikel 50 van Pro de WWB een gebonden bevoegdheid inhoudt die geen discretionair beleid toelaat. De waardestijging van de woning maakt wijziging van de bijstandsvorm noodzakelijk. Het vertrouwensbeginsel faalt omdat appellant geen ondubbelzinnige toezegging kon aantonen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.