ECLI:NL:CRVB:2009:BI2921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, terwijl hij samen met betrokkene, die bijstand ontving als alleenstaande ouder, feitelijk een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden aan het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Na een onderzoek door de Sociale Recherche, waarbij dossieronderzoek, verhoren en getuigenverklaringen werden verzameld, besloot het College de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 13 april 1999 in te trekken en de kosten van de verleende bijstand terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat er geen gezamenlijke huishouding was en verzocht hij om schadevergoeding. De Raad oordeelde dat ondanks afzonderlijke inschrijvingen op verschillende adressen, uit verklaringen van appellant, getuigen en omwonenden bleek dat appellant en betrokkene feitelijk samenwoonden en dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van betrokkene.
De Raad concludeerde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor het College terecht de bijstand introk en terugvorderde. Ook de terugvordering van bijstand aan betrokkene over een latere periode was terecht mede op appellant verhaald. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding en wijst het verzoek om schadevergoeding af.