ECLI:NL:CRVB:2009:BI3013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekenbaarheid schade door onrechtmatige WW-besluiten van UWV
Appellant heeft op 26 juni 2003 een arbeidsovereenkomst gesloten die per 1 december 2004 eindigde met ontslag. Het UWV weigerde op 1 december 2004 een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant akkoord zou zijn gegaan met het ontslag. Appellant stelde de nietigheid van het ontslag tegenover de werkgever en startte een civiele procedure.
Het UWV handhaafde aanvankelijk het besluit tot weigering van de WW-uitkering, maar kende later alsnog een uitkering toe na een uitspraak van de rechtbank. Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding voor de kosten van de civiele procedures tegen de werkgever, omdat hij deze als gevolg van de onrechtmatige besluiten van het UWV moest voeren.
Het UWV wees het verzoek af wegens gebrek aan causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de schade. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt dat het voeren van de civiele procedure niet noodzakelijk was om de WW-besluiten aan te vechten en dat de schade daarom niet aan het UWV kan worden toegerekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de schade door de onrechtmatige besluiten van het UWV niet aan het UWV kan worden toegerekend en wijst het beroep af.