ECLI:NL:CRVB:2009:BI3104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- C.P.M. van der Kerkhof
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde Ziektewet-uitkering zonder dringende redenen
Appellant werd door het UWV medegedeeld dat hij vanaf 6 december 2005 geen recht meer had op Ziektewet-uitkering omdat hij geschikt was voor zijn eigen arbeid. Het UWV vorderde vervolgens het onverschuldigd betaalde bedrag terug over de periode van 6 december 2005 tot 1 januari 2006. Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en stelde dat dit zou leiden tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad stelde vast dat het besluit over het recht op ziekengeld onherroepelijk was en dat het UWV verplicht was het onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen, tenzij dringende redenen tot kwijtschelding aanwezig zijn.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had aangetoond dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen had. De aflossingscapaciteit was op nihil gesteld en de enkele omstandigheid dat appellant een maand geen inkomsten had, vormde geen dringende reden. Ook werd gewezen op eerdere jurisprudentie dat alleen de gevolgen van de terugvordering relevant zijn, niet de besluitvorming over het intrekken van het recht op ziekengeld.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigde Ziektewet-uitkering en wijst het hoger beroep af.