ECLI:NL:CRVB:2007:BB5898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschot ziekengeld na onaantastbare weigering uitkering
Appellante ontving een voorschot op een Ziektewetuitkering vanaf 25 augustus 2004, maar het UWV weigerde later de uitkering omdat zij niet arbeidsongeschikt was. Haar bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank wees haar beroep af. De weigering van de uitkering werd daarmee rechtens onaantastbaar.
Het UWV vorderde vervolgens het voorschotbedrag van €2.650,25 terug. Appellante betoogde dat zij onvoldoende tijd had gehad om bezwaar te maken en dat de terugvordering onredelijk was vanwege procedurele tekortkomingen en de Regeling schorsing, herziening en intrekking uitkeringen.
De Raad oordeelde dat de grieven feitelijk tegen de weigering van de uitkering gericht waren, maar dat deze beslissing onherroepelijk was geworden. De terugvordering van het voorschot was daarom terecht. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, aangezien alleen onaanvaardbare gevolgen een reden kunnen vormen. De procedurele bezwaren van appellante konden dit niet onderbouwen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Van Voorst en leden Bandringa en Dijt op 17 oktober 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het voorschot ziekengeld en wijst het hoger beroep af.