ECLI:NL:CRVB:2009:BI3390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na verhuizing tijdens ziekte
Appellante was sinds januari 2003 als kraamverzorgende in dienst bij een werkgever in Haarlem en viel in januari 2005 wegens ziekte uit. In juli 2006 berichtte zij haar werkgever over een voorgenomen verhuizing naar Kommerzijl, waarna de werkgever dit als opzegging van het dienstverband per 31 augustus 2006 beschouwde. Appellante accepteerde dit, in de veronderstelling dat zij een Ziektewetuitkering zou ontvangen. Het UWV weigerde echter de ZW-uitkering op grond van een benadelingshandeling omdat appellante tijdens ziekte ontslag had genomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij verwijtbaar werkloos was geworden omdat zij zonder voldoende medische onderbouwing de verhuizing en het ontslag had genomen terwijl voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs van haar kon worden verlangd. Appellante stelde in hoger beroep dat zij niet zelf ontslag had genomen en dat het UWV haar situatie onvoldoende had meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat de verhuizing de voortzetting van het dienstverband onmogelijk maakte en dat appellante daarmee het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft genomen. De medische noodzaak van de verhuizing is onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen omstandigheden die matiging van de maatregel rechtvaardigen. De weigering van de ZW-uitkering blijft daarom in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en wijst haar ZW-uitkering af.