ECLI:NL:CRVB:2009:BI3577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-voeren administratie en onvoldoende bewijs werkzaamheden
Appellant en diens levenspartner ontvingen bijstand sinds 1984. Naar aanleiding van meldingen over onregelmatigheden, waaronder werkzaamheden als schoorsteenveger en hennepverbouw, werd een strafrechtelijk onderzoek gestart. Het College trok bijstandsuitkering in per 15 december 1997 en vorderde €109.874,81 terug over de periode tot 30 november 2006.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat de terugvordering onjuist was en niet verder dan augustus 2002 mocht teruggaan, omdat hij pas toen structureel werkzaamheden zou zijn gaan verrichten. De rechtbank oordeelde dat appellant zich had neergelegd bij de intrekking en terugvordering, maar de Raad stelde vast dat het bezwaar niet was ingetrokken en dat appellant inhoudelijke bezwaren had aangevoerd.
De Raad constateerde echter dat appellant geen deugdelijke administratie voerde om het recht op bijstand vanaf 1997 vast te stellen en dat geen concreet bewijs was geleverd voor de stelling dat hij pas vanaf augustus 2002 structureel inkomsten verzweeg. Het enkele feit van een schietpartij in 2001 was onvoldoende om dit aannemelijk te maken. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand vanaf 15 december 1997 wegens het ontbreken van een deugdelijke administratie en onvoldoende bewijs van structurele werkzaamheden.