ECLI:NL:CRVB:2009:BI3585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Vernietiging maatregel verlaging bijstand wegens onverantwoord interen op vermogen
Appellante ontving bijstand vanaf 1 mei 2001 vanwege bezit van vermogen in onroerend goed, dat later werd verkocht. Na beëindiging van de bijstand leefde zij van de opbrengsten en het interen op haar resterende vermogen. In 2005 vroeg zij opnieuw bijstand aan, waarop een maatregel werd opgelegd die de bijstand met 100% voor één maand verlaagde wegens onverantwoord omgaan met vermogen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze maatregel ongegrond, stellende dat appellante tekortschietend besef van verantwoordelijkheid had getoond door in een korte periode voorafgaand aan de aanvraag circa € 25.000 uit te geven, terwijl zij slechts ongeveer € 12.300 had mogen besteden volgens de jurisprudentie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat bij de beoordeling van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid gekeken moet worden naar de gehele periode van interen op vermogen, niet slechts een willekeurige korte periode. Gezien de feiten was appellante niet verwijtbaar en was het opleggen van de maatregel onrechtmatig.
De Raad vernietigt daarom het besluit tot verlaging van de bijstand en het besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde. Tevens veroordeelt de Raad het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De maatregel verlaging van de bijstand wegens onverantwoord interen op vermogen wordt vernietigd en het bezwaar gegrond verklaard.