Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3744

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3396 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Schattingsbesluit 2004Art. 18 lid 8 WAOArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en taalbeheersing

Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering, die was toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV had de uitkering ingetrokken per 2 februari 2006 omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank Arnhem vernietigde dit besluit, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt nu het besluit van het UWV.

Appellante voerde aan dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met het psychiatrisch rapport van haar behandelend psychiater. Tevens stelde zij dat zij de Nederlandse taal niet beheerst, wat volgens haar betekende dat zij niet aan de functie-eisen kon voldoen. De Raad concludeerde echter dat appellante niet door ziekte of gebrek verhinderd is de Nederlandse taal te leren, en dat de functies waarvoor zij geschikt wordt geacht relatief eenvoudig zijn.

De Raad onderschrijft daarmee de overwegingen van de rechtbank en wijst op de wettelijke bepalingen in het Schattingsbesluit 2004 en de WAO die eisen stellen aan de taalbeheersing als een noodzakelijke bekwaamheid voor arbeid. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante onvoldoende arbeidsongeschikt is en niet door ziekte of gebrek verhinderd is de Nederlandse taal te leren.

Uitspraak

07/3396 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 mei 2007, 06/3653 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 mei 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. van de Berkt.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 29 mei 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante gericht tegen het besluit van 2 december 2005 waarin de aan haar toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, per 2 februari 2006 (de datum in geding) wordt ingetrokken, omdat de mate van haar ongeschiktheid per die datum is afgenomen naar minder dan 15%.
1.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en besluiten genomen omtrent het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het Uwv de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in de beroepsfase heeft gewijzigd en dat eerst in beroep voldoende is gemotiveerd waarom de functies, ondanks bepaalde signaleringen, toch geschikt voor appellante zijn te achten.
2. In hoger beroep heeft appellante - evenals in beroep - zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevochten. Zij is van mening dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat er meer aandacht besteed had moeten worden aan het rapport van de haar behandelend psychiater S. Güner van 10 april 2006. Daarnaast beheerst appellante de Nederlandse taal niet. Ze kan die heel beperkt spreken en in het geheel niet lezen of schrijven. In de aan de schatting ten grondslag liggende functies worden eisen gesteld aan de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal.
3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.
3.2. De Raad oordeelt voorts dat de beroepsgrond van appellante dat zij niet voldoet aan de in de schatting ten grondslag gelegde functie gestelde eisen van beheersing van de
Nederlandse taal faalt.
3.2.1. In artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit 2004 is - voorzover hier van belang - bepaald, dat bij de bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen waaronder mede wordt begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, tenzij betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als gevolg van ziekte of gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Onder deze bekwaamheden wordt ten minste verstaan de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal.
3.2.2. Het in 3.2.1 genoemde artikelonderdeel rust op artikel 18, achtste lid, van de WAO. Dit artikelonderdeel maakt het mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het bepaalde in dat artikel nadere en zonodig afwijkende regels te stellen. De Raad wijst op zijn uitspraak van 30 maart 2009, LJN BI0338.
3.2.3. Aangezien bij appellante geen sprake is van uit ziekte of gebrek voortkomende onmogelijkheid om de Nederlandse taal aan te leren, onderschrijft de Raad dan ook niet haar stelling dat, nu zij de Nederlandse taal niet beheerst, zij een aantal van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen. Niet uit het oog kan voorts worden verloren dat het hier een betrekkelijk eenvoudige functies betreft. De Raad wijst in dit verband ook nog op zijn jurisprudentie zoals neergelegd in zijn uitspraken van
16 januari 2001, LJN AL3647 en van 4 januari 2008, LJN BC1241.
4. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2009.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C. Palmboom.
CVG