ECLI:NL:CRVB:2009:BI3922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Eervol ontslag wegens ongeschiktheid en verstoorde arbeidsverhouding bij museumfunctie
Appellante was sinds 1999 werkzaam als assistent-conservator bij een museum en kreeg in 2004 eervol ontslag wegens ongeschiktheid voor haar functie, anders dan op grond van ziekte of gebrek, en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding. De ongeschiktheid bestond uit onvoldoende functioneren, het niet nakomen van afspraken en het weigeren van opdrachten.
De Raad stelde vast dat appellante sinds 2002 moeite had met een wijziging in haar takenpakket en meerdere malen werd aangesproken op tekortkomingen in haar functioneren, waaronder het niet uitvoeren van een opdracht en het schenden van een verbod om het museum extern te vertegenwoordigen. Ook werd zij berispt en kreeg zij een disciplinaire maatregel wegens werkweigering en onprofessioneel gedrag.
De negatieve beoordeling van haar functioneren werd niet aangevochten en vormde een stevige grondslag voor het ontslagbesluit. De Raad oordeelde dat appellante voldoende gelegenheid had gekregen om haar functioneren te verbeteren en dat het college in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
Uitkomst: Het eervol ontslag van appellante wegens ongeschiktheid en verstoorde arbeidsverhouding wordt bevestigd.