ECLI:NL:CRVB:2009:BI4140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar terugvordering bijstandsuitkering wegens overschrijding bezwaartermijn
Appellant ontving een bijstandsuitkering en werd geconfronteerd met een terugvordering van € 37.772,74 bruto over de periode van april 1999 tot november 2002. Het College stuurde het besluit van terugvordering naar het bij hen bekende woonadres, terwijl appellant destijds gedetineerd was en het besluit niet naar het detentieadres werd gezonden. Appellant maakte pas in november 2006 bezwaar tegen het besluit, ruim na de wettelijke bezwaartermijn van zes weken.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn, omdat appellant kort na zijn detentie van het besluit op de hoogte was geraakt en niet tijdig bezwaar had gemaakt. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, onder verwijzing naar vaste rechtspraak dat de bezwaartermijn pas begint te lopen op het moment dat het besluit daadwerkelijk bekend is gemaakt.
Hoewel het besluit niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, is uit stukken gebleken dat appellant in december 2003 of januari 2004 kennis heeft genomen van het besluit, onder meer door een aanvraag bijstand en een brief aan het College. De Raad acht het ongeloofwaardig dat appellant het verzoek om herziening niet heeft ingediend. Het bezwaar in 2006 is derhalve te laat ingediend en niet-ontvankelijk verklaard.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de terugvordering van de bijstandsuitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.