ECLI:NL:PHR:2012:BV9648
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ontvankelijkheid bezwaar naheffingsaanslag bij niet-bekendmaking
In deze zaak staat centraal of een bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over 2006 ontvankelijk is, ondanks dat het bezwaar na de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. Belanghebbende stelde de aanslag niet te hebben ontvangen en pas kennis te hebben genomen van de aanslag via een aanmaning. De Inspecteur voerde aan dat de aanslag rechtsgeldig was opgelegd en verzonden. De Rechtbank oordeelde dat de aanslag niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt en verklaarde het bezwaar ontvankelijk. Het Hof verwierp het bewijsaanbod van de Inspecteur als te laat en bevestigde dat de aanslag niet bekend was gemaakt, waardoor de bezwaartermijn niet was begonnen en het bezwaar gegrond was.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het bewijsaanbod van de Inspecteur ten onrechte was gepasseerd en dat de naheffingsaanslag wel tot stand was gekomen, ook al was de bekendmaking niet volgens de regels verlopen. De Hoge Raad overwoog dat het Hof de bewijslast van de Inspecteur terecht had benadrukt en dat het bewijsaanbod te laat was gedaan, maar dat het Hof had moeten overwegen om de procedure te verdagen om het bewijs alsnog toe te laten. Ten aanzien van de totstandkoming en bekendmaking van de aanslag bevestigde de Hoge Raad dat een besluit niet in werking treedt voordat het bekend is gemaakt, maar dat de Invorderingswet 1990 hierop een uitzondering maakt. Desondanks moet de aanslag op een wettige wijze bekend worden gemaakt, en als dat niet gebeurt, begint de bezwaartermijn niet te lopen. De Hoge Raad nuanceerde de opvatting van het Hof dat de aanslag niet tot stand is gekomen bij gebreke aan bekendmaking en stelde dat de bezwaartermijn pas begint bij kennisname van de aanslag. Hiermee sluit de Hoge Raad aan bij eerdere jurisprudentie en waarborgt hij de mogelijkheid tot effectieve rechtsbescherming van de belastingplichtige.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling, waarbij de Inspecteur de gelegenheid moet krijgen het bewijs van verzending en bekendmaking te leveren. Hiermee wordt het belang van een zorgvuldige procesgang en de bescherming van de rechten van de belastingplichtige gewaarborgd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling waarbij de Inspecteur de gelegenheid krijgt bewijs van verzending en bekendmaking te leveren.