ECLI:NL:CRVB:2009:BI4162
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- M.M. van der Kade
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over niet-meerekenen therapeutische werkzaamheden bij WAO-uitkering
Appellant, die zowel in Nederland als Duitsland heeft gewerkt, ontving vanaf 1997 een WAO-uitkering en vanaf 1998 een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het UWV stelde de WAO-uitkering vast op basis van de Nederlandse en Duitse verzekeringstijdvakken, waarbij een periode van therapeutische werkzaamheden niet werd meegerekend.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV omdat deze periode wel door het Duitse sociale verzekeringsorgaan werd meegeteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de therapeutische periode ten onrechte niet was meegenomen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de therapeutische periode niet heeft meegerekend, omdat deze werkzaamheden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid zijn verricht, conform artikel 46, tweede lid, van Verordening 1408/71. De Duitse uitkering werd toegekend na deze periode, wat de beslissing ondersteunt.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af. Daarmee is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en blijft het UWV-besluit in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de therapeutische werkzaamheden niet meetellen voor de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.