ECLI:NL:CRVB:2009:BI5192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig beveiligingsbeambte, meldde zich ziek op 8 juli 2004 met psychische klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering per 6 juli 2006 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn psychische beperkingen en urenbeperking onvoldoende waren meegewogen en dat de eerste ziektedag eerder lag dan vastgesteld. Tevens stelde hij dat het UWV het primaire besluit, dat was gebaseerd op het niet voldoen aan het criterium van 104 weken ziekte, had moeten herroepen.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de eerste ziektedag eerder was dan 8 juli 2004. Het UWV had volgens artikel 7:11 Awb Pro een volledige heroverweging verricht en hoefde het primaire besluit niet te herroepen. De Raad volgde het standpunt van het UWV dat de beperkingen van appellant voldoende waren meegewogen en dat de arbeidskundige schatting goed was onderbouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.