ECLI:NL:CRVB:2009:BI9305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.C.F. Talman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en verzwegen inkomsten
Appellant werd geconfronteerd met een terugvordering van bijstand die aan zijn partner was verstrekt over de periode van november 2002 tot en met september 2004, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerden die niet was opgegeven. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage had de bijstand ingetrokken en de kosten teruggevorderd.
Na bezwaar en een gedeeltelijk gegrondverklaard bezwaar bleef de terugvordering over een deel van de periode gehandhaafd. Appellant ging in hoger beroep tegen het besluit voor de periode van mei 2004 tot en met september 2004. De Raad beoordeelde of aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, WWB was voldaan, waarbij het van belang was of sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, WWB.
De Raad hechtte groot gewicht aan de verklaringen van de partner, die stelde dat appellant regelmatig bij haar verbleef zonder kosten te betalen en dat er sprake was van wederzijdse verzorging. De GBA-inschrijving van appellant op een ander adres stond het voeren van een gezamenlijke huishouding niet in de weg. De Raad concludeerde dat appellant en zijn partner gedurende de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerden en dat het College bevoegd was de bijstandskosten mede van appellant terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand bevestigd.