ECLI:NL:CRVB:2009:BI9727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten UWV over herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende onderbouwing
Appellant verzocht het UWV om herziening van zijn WAO-uitkering naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid op verschillende tijdstippen. Het UWV wees deze verzoeken af, waarbij het standpunt werd ingenomen dat polsklachten buiten de verzekering vielen en niet konden leiden tot een toename van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraken.
De Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het besluit op bezwaar van 9 mei 2005 ongegrond heeft verklaard en dat het besluit vernietigd moet worden. De Raad bevestigt dat er geen sprake is van reformatio in peius omdat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef. Tevens stelt de Raad vast dat de polsklachten niet verzekerd zijn en daarom niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid kunnen leiden.
Ten aanzien van de weigering om de uitkering per 3 oktober 2004 te herzien, constateert de Raad dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de toename van knie- en rugklachten niet tot een hogere uitkering leidt. Het UWV heeft onvoldoende onderbouwing gegeven voor het standpunt dat rugklachten buiten de verzekering vallen. Daarom wordt ook dit besluit vernietigd en wordt het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten aan appellant en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar van 26 juli 2005 blijven ongewijzigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten van het UWV en beveelt een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.