ECLI:NL:CRVB:2009:BI9788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering na afname arbeidsongeschiktheid
Betrokkene heeft een aanvraag ingediend voor verhoging/vervroegde toekenning van haar WAO-uitkering met ingang van 1 september 2004. Appellant heeft deze aanvraag in het kader van de Wet Amber beoordeeld en bij besluit van 7 mei 2007 gehandhaafd. De Raad heeft in een andere uitspraak bevestigd dat de voortzetting van de uitkering op 35-45% arbeidsongeschiktheid terecht was.
Het huidige geschil betreft een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid in het kader van het Schattingsbesluit (aSb). Na medisch en arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar 25-35%, met ingang van 12 juni 2005. De Raad oordeelt dat de appellant de gezondheidstoestand en beperkingen van betrokkene correct heeft ingeschat, mede gelet op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 december 2004.
Betrokkene stelde dat het bestreden besluit ondeugdelijk was omdat geen Amber-beoordeling had plaatsgevonden en dat er een urenbeperking van 20 uur per week zou moeten gelden. De Raad verwierp deze stellingen, oordeelde dat de medische onderbouwing zorgvuldig was en dat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende inzicht had gegeven dat de belastbaarheid binnen de vastgestelde grenzen bleef.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank Utrecht die het bestreden besluit had vernietigd en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard.