ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.C.F. Talman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstand wegens niet behouden van arbeid tijdens proeftijd met matiging maatregel
Appellante ontving een bijstandsuitkering en trad op 1 oktober 2006 in dienst bij Prorail. Tijdens de proeftijd werd haar arbeidsovereenkomst op 4 oktober 2006 beëindigd wegens te laat komen en mobiel bellen tijdens werktijd. Het College verlaagde haar bijstand met 100% voor twee maanden wegens het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en vernietigde het besluit, waarna het College een nieuw besluit nam. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College, gezien de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellante, een lagere maatregel had moeten opleggen dan de standaardmaatregel.
De Raad stelt vast dat het gedrag van appellante wel verwijtbaar was, maar niet zodanig dat zij zonder meer had kunnen begrijpen dat het dienstverband zou eindigen. Ook was het werk door appellante zelf gevonden. Daarom wordt de maatregel gematigd tot een verlaging van 50% gedurende één maand met ingang van 1 november 2006.
De Raad vernietigt het besluit van 27 december 2006 en het besluit van 4 februari 2008 en herroept het besluit van 17 oktober 2006. Tevens veroordeelt de Raad het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De bijstand van appellante wordt met ingang van 1 november 2006 verlaagd met 50% gedurende één maand.