Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1731

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6599 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 AKWArt. 3 lid 1 AKWArt. 6 lid 1 AKWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kinderbijslag wegens onvoldoende binding met Nederland

Appellante heeft kinderbijslag aangevraagd met terugwerkende kracht voor haar in 2005 geboren zoon. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft de aanvraag voor de periode van het derde kwartaal 2006 tot en met het tweede kwartaal 2007 geweigerd omdat appellante niet als verzekerd voor de Algemene kinderbijslagwet (AKW) werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De kern van het geschil is of appellante voldoende binding met Nederland heeft om als ingezetene te worden beschouwd en daarmee verzekerd te zijn voor de AKW. De Raad stelt vast dat appellante in de betreffende periode niet aan de loonbelasting was onderworpen voor in Nederland verrichte arbeid en dat de sociale, economische en juridische bindingen met Nederland te zwak zijn om het middelpunt van haar maatschappelijk leven in Nederland te plaatsen.

Appellante betoogt dat het onderscheid naar verblijfsstatus volgens internationaal recht verboden is en dat een tekortkoming in juridische status doorwerkt in de opbouw van economische en sociale bindingen. De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat verblijfstatus slechts één van de factoren is en niet doorslaggevend. Een zwakke juridische status sluit niet uit dat sociale of economische bindingen kunnen bestaan, zoals blijkt uit de toekenning van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 2007.

De Raad concludeert dat het hoger beroep faalt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beslissing is uitgesproken door de meervoudige kamer op 2 juli 2009.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kinderbijslag voor de periode van het derde kwartaal 2006 tot en met het tweede kwartaal 2007 wordt bevestigd.

Uitspraak

08/6599 AKW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2008, 08/454 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 2 juli 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009. Voor appellante zijn verschenen mr. Cerezo-Weijsenfeld en mr. W.G. Fischer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.1. Op 25 juli 2007 heeft appellante met terugwerkende kracht een aanvraag ingediend voor kinderbijslag voor haar op 26 februari 2005 geboren zoon [naam zoon]. Bij besluit van 10 september 2007 heeft de Svb de aanvraag van appellante afgewezen. Het bezwaar tegen deze beslissing is bij besluit van 15 januari 2008 gegrond verklaard in die zin dat appellante ingaande het 3e kwartaal 2007 recht op kinderbijslag heeft. Ten aanzien van de periode 3e kwartaal 2006 tot en met 2e kwartaal 2007 is kinderbijslag geweigerd omdat appellante niet als verzekerd voor de Algemene kinderbijslagwet (AKW) wordt aangemerkt.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
3.1. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante over de periode van het 3e kwartaal 2006 tot en met het 2e kwartaal 2007 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat zij niet verzekerd is voor de AKW.
3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de wet degene die:
a) ingezetene is;
b) geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Niet in geschil is dat appellante op de peildata van het 3e kwartaal 2006 tot en met het 2e kwartaal van 2007 niet ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.
4.2. Ingevolge artikel 2 van Pro de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats heeft in Nederland heeft.
4.3. De Raad stelt vast dat de benodigde bindingen te zwak zijn voor de conclusie dat appellante het middelpunt van haar maatschappelijk leven op de peildata in geding in Nederland heeft en dat zij dientengevolge heeft voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te zijn voor de AKW. Naar de Raad de hoger beroepsgronden van appellante begrijpt wordt dat als zodanig ook in essentie niet zo betwist. Appellante stelt zich veeleer op het standpunt dat naar internationaal recht sprake is van een verboden onderscheid naar verblijfsstatus in die zin dat een tekortkoming in de juridische status doorwerkt in de ontwikkeling en opbouw van zowel haar economische binding als haar sociale binding. In de uitspraak van de Raad van 14 februari 2008, LJN BC8123, heeft de Raad, kort weergegeven, overwogen dat wanneer het gaat om de vraag of er sprake is van ingezetenschap, de verblijfstatus één van de omstandigheden is om zulks te bepalen, terwijl die status op zichzelf niet beslissend is. De Raad merkt daarbij op dat een zwakke juridische status niet per definitie betekent dat er geen sociale of economische binding met Nederland is op te bouwen, getuige ook de toekenning van kinderbijslag aan appellante met ingang van het 3e kwartaal 2007.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
4.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.
NW