ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.N.A. Bootsma
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde huishoudelijke werkzaamheden
Appellante ontving vanaf 1983 bijstand en verrichtte in de periode van 1 april 2001 tot 1 mei 2006 huishoudelijke werkzaamheden bij meerdere personen zonder dit te melden aan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden. Na een onderzoek op basis van een tip werd geconcludeerd dat deze werkzaamheden op geld waardeerbare arbeid betroffen, geen vriendendienst, en dat appellante daardoor een te hoge bijstand ontving.
Het College herzag de bijstand en vorderde kosten terug, inclusief verlagingen wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank vernietigde een deel van dit besluit, met name vanwege onduidelijkheid over de berekening van de aflossing en de toepassing van gemeentelijke verordeningen.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat de werkzaamheden als op geld waardeerbare arbeid moeten worden beschouwd en dat het College terecht een fictief inkomen in aanmerking heeft genomen. De schending van de inlichtingenplicht rechtvaardigt herziening en terugvordering. Echter, het College moet het bedrag van de terugvordering en de verlaging van de uitkering nader vaststellen. De Raad vernietigt het besluit van 26 november 2007 en veroordeelt het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het College dient een nieuw besluit te nemen met correcte vaststelling van terugvordering en verlaging van de bijstand.