ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- R.H.M. Roelofs
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking IOAW-uitkering na beëindiging WAO-uitkering ondanks beroep op vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel
Appellant ontving een WAO-uitkering en een aanvullende IOAW-uitkering. Na een wetswijziging en onderzoek werd de WAO-uitkering ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Vervolgens werd ook de IOAW-uitkering beëindigd omdat appellant niet meer tot de doelgroep behoorde.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat het vertrouwensbeginsel hem recht gaf op voortzetting van de IOAW-uitkering zolang de WAO-uitkering bestond. De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking, maar handhaafde de rechtsgevolgen en verwierp het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat uit het besluit van 16 februari 2006 geen toezegging kan worden afgeleid die het dagelijks bestuur zou binden. Het dagelijks bestuur is bovendien verplicht om periodiek onderzoek te verrichten. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt omdat het handhaven van het besluit op een andere grond niet leidt tot materiële benadeling.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de IOAW-uitkering en wijst het beroep op vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel af.