ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- T. Hoogenboom
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in WAZ-uitkeringszaak
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uwv om hem een WAZ-uitkering te weigeren. Na meerdere beroepsprocedures en een nieuw besluit op bezwaar dat de uitkering toekende, werd het beroep tegen het eerdere besluit behandeld. De rechtbank stelde vast dat het Uwv het bestreden besluit niet langer handhaafde, maar appellant belang had bij vernietiging vanwege zijn verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank wees de vergoeding van immateriële schade wegens geestelijk letsel af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zodanig was getroffen. Wel kende de rechtbank een vergoeding van € 2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, die ruim zeven jaar duurde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van geestelijk letsel dat een aantasting van zijn persoon vormde. De Raad stelde vast dat de redelijke termijn met vijf jaar en elf maanden was overschreden en verhoogde de vergoeding naar € 6.000. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat de lagere vergoeding toekende en veroordeelde het Uwv tot betaling van € 6.000 aan appellant.
Uitkomst: Het Uwv wordt veroordeeld tot betaling van € 6.000 aan appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn; vergoeding immateriële schade wegens geestelijk letsel wordt afgewezen.