ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep formuleert nieuwe criteria voor verwijtbare werkloosheid bij baanwisseling
Appellante was sinds 1998 werkzaam bij een werkgever en werkte 21 uur per week. In mei 2006 trad zij op basis van een oproepovereenkomst voor een half jaar in dienst bij een nieuwe werkgeefster. Zij beëindigde haar oude dienstverband en vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij een baan met onbepaalde tijd had verruild voor een oproepcontract zonder dat sprake was van positieverbetering of goede vooruitzichten. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep formuleerde nieuwe criteria voor verwijtbare werkloosheid bij baanwisseling. Indien een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken, hoeft niet te worden onderzocht waarom de werknemer van baan wisselde. De juridische vorm van het contract is niet doorslaggevend.
In dit geval oordeelde de Raad dat appellante een reëel vooruitzicht had op een dienstverband van minimaal 26 weken, mede omdat zij vooraf proefgedraaid had en er voldoende werk en vooruitzichten waren. Daarom was haar werkloosheid niet verwijtbaar. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werden proceskosten aan appellante toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij haar werkloosheid niet verwijtbaar wordt geacht.