ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verduidelijkt criteria verwijtbare werkloosheid bij baanwisseling
Appellant was sinds februari 2007 in vaste dienst bij werkgever 1, nam ontslag per 1 januari 2008 en ging vervolgens op basis van een uitzendovereenkomst drie maanden werken bij werkgever 2, met uitzicht op een vast dienstverband van een jaar. Werkgever 2 beëindigde de arbeidsovereenkomst na twee maanden, waarna appellant een WW-uitkering aanvroeg. Het UWV weigerde de uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, stellende dat appellant zonder noodzaak zijn vaste baan had opgezegd en een te groot risico had genomen.
De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en wees het beroep af. In hoger beroep stelde appellant dat er sprake was van een proefperiode met uitzicht op een vast contract en dat zijn medische situatie en dreigend arbeidsconflict onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep formuleerde nieuwe criteria voor verwijtbare werkloosheid bij baanwisselingen: als er een reëel vooruitzicht is op een dienstverband van ten minste 26 weken, is geen onderzoek naar de reden van baanwisseling nodig.
De Raad oordeelde dat de afspraken met werkgever 2 een reëel vooruitzicht boden op een dienstverband van 26 weken en dat appellant daarom niet verwijtbaar werkloos was geworden. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. Het UWV moet het bezwaar opnieuw behandelen en appellant de proceskosten vergoeden.
De uitspraak benadrukt dat de materiële inhoud van de arbeidsrelatie doorslaggevend is, niet de juridische vorm, en dat het WW-stelsel de arbeidsmobiliteit moet bevorderen zonder onnodige beperkingen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.