ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en arbeidsongeschiktheid na medische en arbeidskundige toetsing
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar WAO-uitkering en de mate van arbeidsongeschiktheid die door het UWV is vastgesteld. Na een eerdere uitspraak van de rechtbank Maastricht, waarin het beroep tegen het eerste besluit gegrond werd verklaard, heeft het UWV een nieuw besluit genomen waarbij de arbeidskundige grondslag werd aangepast, maar de medische grondslag ongewijzigd bleef.
De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep overwogen dat de medische beperkingen van appellante, waaronder de gevolgen van een hernia vastgesteld via een MRI-scan, voldoende zijn meegenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 16 augustus 2007. De Raad acht de arbeidskundige beoordeling dat appellante in staat is om de geselecteerde functies uit te oefenen begrijpelijk en overtuigend.
De Raad concludeert dat appellante per 5 april 2006 terecht is beschouwd als 35 tot 45% arbeidsongeschikt en verklaart het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb. De uitspraak bevestigt daarmee de juiste toepassing van medische en arbeidskundige criteria bij de herziening van de WAO-uitkering.
Uitkomst: Het beroep tegen het tweede besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid per 5 april 2006 wordt bevestigd.