ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens benadelingshandeling bij beëindiging arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds 1 mei 2003 in dienst bij Chep Benelux Nederland B.V. en werd op 28 maart 2006 wegens ziekte arbeidsongeschikt. Op 5 maart 2007 sloten werkgever en appellant een vaststellingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 april 2007 werd beëindigd. Het UWV weigerde vervolgens een Ziektewet-uitkering vanaf die datum toe te kennen, omdat appellant volgens hen een benadelingshandeling had gepleegd door zijn arbeidsongeschiktheid niet correct te melden.
De rechtbank Arnhem verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en oordeelde dat de brief van 28 september 2006, waarin appellant zich bereid verklaarde te werken, niet als betermelding kon worden gezien, maar als onderdeel van de beëindigingsovereenkomst. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zich in september 2006 beter had gemeld en dat de klachten onverwacht terugkeerden, waardoor geen sprake was van benadelingshandeling.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat de arbeidsongeschiktheid al bestond bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. De bereidverklaring tot werken kon niet worden gezien als een hersteldmelding die het ziektegeval beëindigde. Er was geen grond voor vermindering van verwijtbaarheid of dringende reden om af te zien van de maatregel. De Raad bevestigde daarom de weigering van de Ziektewet-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering wegens benadelingshandeling.