ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4533
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beëindiging arbeidsovereenkomst wegens ziekte en weigering loonbetaling zonder verwijt aan werknemer
De werknemer trad in 1995 in dienst en viel in 2006 wegens ziekte uit. Ondanks ziekte en een lopende dagbehandeling bij de GGZ, werd zij door de werkgever verplicht om op werkdagen zonder behandeling te werken. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen oordeelde dat het werk niet passend was, maar de werkgever staakte toch de loonbetaling in januari 2007. Na conflicten en herhaalde verzoeken om deskundigenoordeel eindigde de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 juni 2007.
De werknemer vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze voor de periode juni tot september 2007 wegens een vermeende benadelingshandeling: instemming met beëindiging zonder rekening te houden met de opzegtermijn. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de werknemer niet anders kon dan instemmen en dat een procedure bij de kantonrechter geen gegarandeerd positief resultaat zou hebben opgeleverd.
In hoger beroep handhaafde het UWV haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de werknemer medisch niet in staat was het werk te verrichten en dat de werkgever de loonbetaling onterecht staakte. De arbeidsverhouding was onherstelbaar verstoord en voortzetting van de arbeidsovereenkomst was niet mogelijk. Daarom kon van de werknemer niet worden verlangd de opzegtermijn te respecteren, en was er geen verwijt of grond voor een maatregel.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan de werknemer. Hiermee werd het beroep van het UWV ongegrond verklaard en de werknemer in het gelijk gesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen maatregel wordt opgelegd omdat de werknemer geen verwijt treft voor instemming met beëindiging arbeidsovereenkomst tijdens ziekte.