ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4537

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4162 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WWArt. 24 WWArt. 27 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontzegging WW-uitkering na beëindiging dienstverband met wederzijds goedvinden

Appellante was sinds 1 oktober 2000 in dienst bij de rechtsvoorganger van haar werkgever. Op 12 juli 2007 werd een beëindigingsovereenkomst gesloten waarbij het dienstverband per 1 september 2007 eindigde en een vergoeding van € 55.164 bruto werd toegekend, gebaseerd op dertien maandsalarissen. De vergoeding werd door het UWV beschouwd als inkomsten die gelijkgesteld moesten worden met loon gedurende een fictieve opzegtermijn.

Appellante vroeg een WW-uitkering aan wegens werkloosheid per 1 september 2007. Het UWV besloot de uitkering te ontzeggen tot 1 oktober 2007, uitgaande van een opzegtermijn van twee maanden plus een aanzegtermijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat bij beëindiging met wederzijds goedvinden geen korting van één maand op de opzegtermijn geldt.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat deze werkwijze het aantal pro forma ontbindingsprocedures zou doen toenemen, wat tegen de doelstellingen van de wetgever zou zijn. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en bevestigde de ontzegging van de WW-uitkering tot 1 oktober 2007. De proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De ontzegging van de WW-uitkering tot 1 oktober 2007 wordt bevestigd.

Uitspraak

08/4162 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juni 2008, 07/3950 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 juli 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.P. van der Veer, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.
2.1. Appellante is op 1 oktober 2000 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Op 12 juli 2007 heeft zij met de werkgever een beëindigingsovereenkomst gesloten, onder meer inhoudende dat het dienstverband tussen appellante en de werkgever zal eindigen met ingang van 1 september 2007 en dat de werkgever aan appellante een vergoeding zal voldoen van € 55.164,-- bruto, gebaseerd op dertien maandsalarissen. Overeengekomen is dat de gevolgen van de fictieve opzegtermijn voor rekening van appellante komen.
2.2. Ter zake van haar per 1 september 2007 ingetreden werkloosheid heeft appellante een uitkering ingevolge de WW aangevraagd bij het Uwv. Bij besluit van 22 augustus 2007, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 5 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv met toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW appellante een WW-uitkering ontzegd tot 1 oktober 2007. Het Uwv heeft de aan appellante toegekende vergoeding beschouwd als inkomsten waarop zij recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, welke moeten worden gelijkgesteld met het recht op onverminderde doorbetaling van haar loon tot aan het bedrag aan loon dat zij zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd. Verder is het Uwv uitgegaan van een opzegtermijn van twee maanden, lopend van 13 juli 2007 tot 13 september 2007, gevolgd door een aanzegtermijn tot en met het einde van de maand september 2007.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet in geschil is dat in beginsel een fictieve opzegtermijn van twee maanden heeft te gelden, die met inachtneming van de aanzegtermijn zou aflopen op 1 oktober 2007. De rechtbank was voorts met het Uwv van oordeel dat alleen in de situatie waarin sprake is van ontbinding door de kantonrechter of bij een ontslagvergunning, verkregen van de directeur van het Centrum voor werk en inkomen, een korting op de opzegtermijn van één maand heeft te gelden. De dienstbetrekking van appellante is met wederzijds goedvinden beëindigd, zodat de rechtbank met het Uwv van oordeel was dat er geen korting van één maand dient te worden toegepast. De rechtbank heeft verder overwogen dat de beleidsregels van het Uwv bij artikel 16, derde lid en artikel 24, vijfde lid, van de WW waarop appellante zich heeft beroepen, en waarin is opgenomen dat het Uwv bij een einde van de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden het beleid hanteert zoals hij dat doet bij een beëindiging door de kantonrechter, ziet op de maatregelenprocedure die het Uwv volgt indien sprake is van een benadelingshandeling als bedoeld in het vijfde lid van artikel 24 van Pro de WW. Nu het hier gaat om de vraag of recht op een uitkering als bedoeld in artikel 16 van Pro de WW bestaat, welke vraag voorafgaat aan de vraag of er op grond van artikel 27, derde lid, van de WW een maatregel dient te worden opgelegd, faalt het beroep van appellante op dat beleid naar het oordeel van de rechtbank reeds hierom.
4. Appellante heeft in hoger beroep haar in bezwaar en beroep ingenomen standpunten herhaald. Daarbij heeft zij benadrukt dat de handelwijze van het Uwv om de duur van de opzegtermijn niet met één maand te korten in geval van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zal leiden tot een toename van (pro forma) ontbindingsprocedures, hetgeen op gespannen voet staat met één van de doelstellingen van de wetgever bij de herziening van het WW-stelsel per 1 oktober 2006, te weten het terugdringen van het aantal pro forma procedures.
5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank daartoe heeft gebezigd en maakt die tot de zijne.
5.1. Nu hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd door de rechtbank reeds op goede gronden is verworpen, behoeft haar betoog geen bespreking door de Raad meer. Het door appellante in 4 veronderstelde gevolg doet aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen niet af.
5.2. Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M. Lammerse.
BvW
97