ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging WW-uitkering na beëindiging dienstverband met wederzijds goedvinden
Appellante was sinds 1 oktober 2000 in dienst bij de rechtsvoorganger van haar werkgever. Op 12 juli 2007 werd een beëindigingsovereenkomst gesloten waarbij het dienstverband per 1 september 2007 eindigde en een vergoeding van € 55.164 bruto werd toegekend, gebaseerd op dertien maandsalarissen. De vergoeding werd door het UWV beschouwd als inkomsten die gelijkgesteld moesten worden met loon gedurende een fictieve opzegtermijn.
Appellante vroeg een WW-uitkering aan wegens werkloosheid per 1 september 2007. Het UWV besloot de uitkering te ontzeggen tot 1 oktober 2007, uitgaande van een opzegtermijn van twee maanden plus een aanzegtermijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat bij beëindiging met wederzijds goedvinden geen korting van één maand op de opzegtermijn geldt.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat deze werkwijze het aantal pro forma ontbindingsprocedures zou doen toenemen, wat tegen de doelstellingen van de wetgever zou zijn. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en bevestigde de ontzegging van de WW-uitkering tot 1 oktober 2007. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De ontzegging van de WW-uitkering tot 1 oktober 2007 wordt bevestigd.