ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als chauffeur, viel in mei 2004 uit wegens rug- en beenklachten en vroeg eind januari 2006 een WIA-uitkering aan. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast, waaronder rugproblemen, gehoorverlies, duizeligheid en knieafwijkingen, en concludeerde dat appellant geen rijdend beroep meer kon uitoefenen. De arbeidsdeskundige berekende een arbeidsongeschiktheid van 17,96%, waarop het UWV de uitkering weigerde.
In bezwaar werden medische verklaringen van specialisten overgelegd, maar de bezwaarverzekeringsarts handhaafde het oordeel over de belastbaarheid met enkele aanpassingen. De bezwaararbeidsdeskundige vond de functies passend en de arbeidsongeschiktheid onder 35%. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen intact omdat de mate van arbeidsongeschiktheid zonder maximering onder 35% bleef.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten ernstig waren onderschat en dat de functies niet passend waren, met name het besturen van een magazijnwagen. De Raad vond echter geen aanleiding om de medische en arbeidskundige conclusies te wijzigen, bevestigde dat de protocollen voor aspecifieke lage rugpijn en myocardinfarct niet van toepassing waren en oordeelde dat de functies toereikend waren gemotiveerd. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis en de weigering van de WIA-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.