ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verblijf buitenland langer dan vier weken
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en vroeg toestemming om met behoud van uitkering van 28 januari tot 16 februari 2006 op vakantie te gaan. Het College stemde hiermee in onder de voorwaarde dat zij zich bij terugkomst zou melden en het rechtmatigheidsformulier over januari 2006 zou inleveren. Appellante vertrok naar Thailand en keerde pas op 19 mei 2006 terug.
Het College trok de bijstand met ingang van 1 januari 2006 in vanwege schending van de inlichtingenverplichting en vorderde de bijstandskosten terug. Na bezwaar werd het besluit deels herzien en werd bijstand verleend tot en met 24 februari 2006, maar geweigerd daarna omdat appellante langer dan de toegestane vier weken in het buitenland verbleef.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat artikel 13, eerste lid, onder d, WWB niet toestaat dat bijstand wordt verleend bij verblijf langer dan vier weken buiten Nederland. De stelling van appellante dat het College schuld had aan haar langere verblijf wordt verworpen omdat zij het rechtmatigheidsformulier te laat inzond. Ook zijn geen zeer dringende redenen aanwezig als bedoeld in artikel 16 WWB Pro die een uitzondering zouden rechtvaardigen.
De Raad benadrukt dat het primair de verantwoordelijkheid van appellante is om tijdige terugkeer te waarborgen en dat haar tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van bewijs haar stelling niet ondersteunen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en intrekking bijstandsuitkering bevestigd wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland zonder zeer dringende redenen.