ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding na echtscheiding
Appellanten, gescheiden ouders van drie minderjarige kinderen, voerden vanaf 7 oktober 2002 een gezamenlijke huishouding, hetgeen appellante niet aan het College heeft gemeld. Het College trok daarom de bijstand aan appellante in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug, mede van appellant.
Appellanten voerden aan dat het rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding slechts twee jaar na echtscheiding geldt en dat het College nalatig was door pas in 2006 een onderzoek in te stellen. De Raad oordeelde dat het vermoeden geldt zolang het jongste kind minderjarig is, dat er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken, en dat het College terecht het beleid volgde om intrekking en terugvordering toe te passen.
De Raad bevestigde dat appellant zijn hoofdverblijf bij appellante had en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden. Er waren geen dringende redenen om van intrekking en terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.