ECLI:NL:CRVB:2008:BD0478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onterecht aangenomen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande na echtscheiding. Het Dagelijks Bestuur beëindigde de bijstand per 1 november 2005 omdat appellante en haar ex-echtgenoot, die op haar adres stond ingeschreven, geacht werden een gezamenlijke huishouding te voeren op grond van artikel 3, vierde lid, onder b, van de WWB, vanwege hun uit de relatie geboren kinderen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding ook geldt zonder temporele beperking en ongeacht de leeftijd van de kinderen. Appellante stelde dat dit onderscheid in strijd is met artikel 26 IVBPR Pro.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden niet onbeperkt in de tijd kan gelden, omdat kinderen vanaf 18 jaar geacht worden zelfstandig te functioneren. Het bestuursorgaan had onterecht zonder onderzoek aangenomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigde het besluit en veroordeelde het Dagelijks Bestuur in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd omdat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding onterecht en zonder tijdsbeperking werd toegepast.