ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6387
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkering na beoordeling beperkingen door dumpingsyndroom en carpaal tunnelsyndroom
Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering, waarbij zij stelde dat zij ten gevolge van het dumpingsyndroom en het carpaal tunnelsyndroom meer beperkingen ondervond dan was aangenomen. De rechtbank had het bezwaar deels gegrond verklaard en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de medische bevindingen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar kon deze niet onderbouwen met nieuwe medische gegevens. De Raad overwoog dat er geen aanleiding was om te veronderstellen dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan aangenomen, noch dat de beperking op knielen en hurken nog van toepassing was. Wel werd vastgesteld dat het UWV het aspect frequent reiken en de beperkingen door het carpaal tunnelsyndroom in het nieuwe besluit op bezwaar moest betrekken.
De bezwaarverzekeringsarts had in juni 2008 bevestigd dat appellante nog steeds beperkt was in frequent reiken en dat zware hand- en armbelasting vermeden moest worden. De aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) was daarop afgestemd. De Raad zag geen reden om aan de juistheid van deze bevindingen te twijfelen en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 3 september 2008 wordt ongegrond verklaard en de WAO-uitkering vastgesteld op 35 tot 45%.