ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst zonder verwijtbare werkloosheid en toekenning vergoeding
Appellante was sinds 20 september 2004 in dienst als adl-assistent bij een werkgever in Groningen en werd op 1 juli 2007 ontslagen via ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een vergoeding van €1.800. Het UWV weigerde haar WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid wegens gedragsproblemen en oncollegiaal gedrag. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een dringende reden en handhaafde de weigering.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en beschikte over relevante stukken, maar dat het UWV en rechtbank het door de werkgever genoemde toelaten van onbevoegden buiten beschouwing lieten. De Raad concludeerde dat hoewel de werkgever goede redenen had om de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege gedragsproblemen en het niet nakomen van afspraken, deze gedragingen niet ernstig genoeg waren voor ontslag op staande voet.
De Raad oordeelde dat appellante niet verwijtbaar werkloos is geworden en dat het UWV geen grond had voor de maatregel van weigering van de WW-uitkering. De rechtbank had ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Het UWV moet opnieuw besluiten over het bezwaar van appellante. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit van het UWV tot weigering van WW-uitkering en bepaalt dat appellante niet verwijtbaar werkloos is geworden.